Een persoonlijke blik achter de schermen van mijn eigen stamboomonderzoek
Tip: lees eerst Hoe het voor mij begon.
In het vorige artikel vertelde ik hoe het voor mij allemaal begon. In dit tweede deel ga ik dieper in op het stamboomonderzoek zelf: welke bronnen ik gebruikte, waar ik vastliep, en hoe ik toch tien generaties terug wist te komen.
De opa van mijn opa
Mijn oudtante en ik hadden geen idee waar we aan begonnen. In onze verbeelding zouden we een hele middag tussen stoffige boeken doorbrengen, op zoek naar oude aktes en vergeelde doopregisters. In werkelijkheid bleken grote delen van het archief al digitaal doorzoekbaar te zijn. Een vriendelijke medewerker liet ons zien hoe je via de computerschermen toegang kreeg tot het systeem. Via de knop ‘Indexen’ konden we namen invoeren – of delen ervan – en het zoekgebied beperken tot bepaalde jaartallen. Geen overbodige luxe, zeker niet als je op een naam als ‘Smit’ zoekt. Alleen al op die naam (zonder spellingsvarianten) krijg je meer dan 98.000 hits in Amsterdam.
We begonnen bij de opa van mijn oudtante – mijn betovergrootvader. Ze wist zich te herinneren dat hij Willem heette en ergens in de jaren 1880 geboren moest zijn. De medewerker wees ons op de ‘Persoonskaarten’: kaartjes met basisgegevens zoals geboorte-, huwelijks- en overlijdensdata. Vaak staan daar ook de namen van de ouders op. We vonden inderdaad een kaart van Willem, met als ouders Christiaan en Engelina. Maar zonder hun geboortedata bleef het zoeken naar hun oorsprong lastig. Zeker met zo’n veelvoorkomende naam als Smit.
Toch hadden we nu drie aanknopingspunten: een naam (Christiaan), een partner (Engelina), en een kind (Willem) geboren rond 1880. Dat gaf ons net genoeg om verder te zoeken. Grappig detail is dat Willems ouders vrijwel dezelfde achternaam hadden; Smit en Smits.

Bevolkingsregister en burgerlijke stand
Onze volgende stap was het bevolkingsregister. Sinds 1851 werden in Amsterdam alle huishoudens op adressen vastgelegd. In grote dikke boeken – vaak met prachtig sierlijk handschrift – noteerden ambtenaren wie waar woonde, inclusief familieleden, geboorteplaatsen, beroepen en godsdienst. Achter die keurige regels gingen krappe kamers schuil, gedeelde toiletten op de gang en keukens waar het kolenfornuis dag en nacht brandde. Drie keer begon de stad met een nieuwe reeks: in 1851, 1864 en 1874.
We vonden Christiaan vrij snel terug. Hij stond ingeschreven als hoofd van het gezin, samen met zijn vrouw Engelina (letterlijk aangeduid als “vrouw”) en hun kinderen, waaronder Willem. Christiaan bleek geboren in maart 1850. Opeens herinnerde ik me dat mijn oma ooit had gezegd dat een naamgenoot van mijn vader precies 100 jaar eerder was geboren. Ze had de maand goed, maar het jaartal niet.
Met de geboortedatum van Christiaan op zak gingen we verder terug. We wilden nu een inschrijving vinden waarin híj nog als ‘zoon’ werd vermeld, dus waarin zijn ouders ook werden genoemd. En daar kwam, behalve het bevolkingsregister, het archief van de burgerlijke stand om de hoek kijken – een bron waarvan we tot dan toe nog geen weet hadden.
De burgerlijke stand werd in 1811 ingevoerd door niemand minder dan Napoleon. Akten werden ingedeeld in drie categorieën (geboorte, huwelijk en overlijden) en zijn te vinden in drie vormen: tienjarige tafels, éénjarige tafels en de aktes zelf. Via deze weg vonden we de geboorteakte van Christiaan. Zijn ouders: Johannes Christiaan en Anna Christiana Wilhelmina Hanschen – een hele mond vol. De akte noemde ook hun leeftijden – handig, want zo konden we meteen bepalen hoeveel jaren terug we moesten om hún geboorteaktes te vinden.
Via deze methode – stap voor stap terugwerkend – vonden we Johannes Christiaan, geboren in 1820. Zijn ouders: Klaas Smit en Catharina Demaker. Opnieuw een sprongetje verder terug dus.
Kerkboeken
Maar toen liepen we vast. De geboorteakte van Klaas bestond niet, simpelweg omdat hij vóór de invoering van de burgerlijke stand was geboren. Bovendien noemde de geboorteakte van Johannes Christiaan geen leeftijd voor Klaas, dus we moesten gokken wanneer hij geboren zou kunnen zijn. We waren vanaf nu aangewezen op de doop-, trouw- en begraafboeken van de kerk.

Een medewerker gaf ons een gouden tip: schrijf álle namen uit de akte op, ook de getuigen, en zoek in de kerkboeken naar een plausibele Klaas Smit, geboren tussen 1780 en 1800. We vonden een paar kandidaten, brachten van die kandidaten een ministamboom in kaart en zochten naar terugkerende namen. Na veel gepuzzel bleek een van de getuigen op de geboorteakte van Johannes Christiaan een zwager van Klaas te zijn – en dus zijn zus’ man. Daarmee hadden we sluitend bewijs dat we de juiste Klaas te pakken hadden.
En opnieuw konden we een generatie verder. Klaas bleek een zoon te zijn van Christoffel Smit. Door op dezelfde manier te puzzelen, konden we ook de vader van Christoffel terugvinden. In een trouwakte stond Jan Barend Smit (geschreven als Jan Barent Smitt) vermeld, geboren rond 1720 in het Duitse Hestink Hause. Daarmee eindigde voorlopig mijn zoektocht in de mannelijke lijn van mijn Amsterdamse voorouders.
Een grappig detail: Jan Barend en zijn vrouw moesten hun trouwakte ondertekenen. Dat deden ze met een X en een +. Ze konden hun eigen naam niet schrijven, net als bijna de helft van de Amsterdammers in die tijd – lezen en schrijven was voorbehouden aan wie het zich kon veroorloven.
📫 Meer van dit? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.
